Publicaties

Wagenaar Lawyers

Bancaire zorgplicht

Beëindiging kredietovereenkomst (boeterente)

Op 10 oktober 2014 heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen inzake beëindiging van de kredietovereenkomst door de bank en de op de bank rustende zorgplicht.

Casus

De bank had een kredietfaciliteit ter hoogte van €2.410.000 verstrekt aan de cliënt bestaande uit een rekening courant krediet en een tweetal rentevaste leningen voor bepaalde tijd. Op deze kredietfaciliteit waren van toepassing de algemene bepalingen van kredietverlening alsmede de algemene bankvoorwaarden.

Op een gegeven moment heeft de bank de gehele kredietfaciliteit beëindigd op basis van de algemene bepalingen van kredietverlening omdat (1) grotere bedragen aan de vennootschap waren onttrokken dan overeengekomen, (2) het eigen vermogen was afgenomen en (3) de kwartaalcijfers steeds te laten werden ingediend bij de bank. Er was geen sprake van betalingsachterstanden.

Als gevolg van de vroegtijdige opzegging van de kredietovereenkomst diende de cliënt op basis van de algemene bepalingen van kredietverlening een boeterente te betalen met betrekking tot de rentevast leningen. Deze boeterente bedroeg €122.126.

Beoordeling

Het Gerechtshof oordeelde de opzegging van de kredietovereenkomst rechtsgeldig voor zover het het krediet in rekening-courant betreft, maar verklaarde voor recht (a) dat de bank ten onrechte de kredietovereenkomst heeft beëindigd voor zover het de rentevaste leningen betreft en (b) dat de bank ten onrechte aanspraak maakt op de vergoeding wegens vervroegde aflossing. De daarop gebaseerde vorderingen tot vergoeding van gemaakte kosten werden eveneens toegewezen. Dit werd vervolgens bekrachtigd door de Hoge Raad.

De bank had een opzegtermijn gesteld van 8 maanden waarbinnen het krediet en de boeterente dienden te worden terugbetaald. Deze termijn van 8 maanden werd een redelijke termijn geacht met betrekking tot het krediet in rekening courant.

Of de beëindiging van de rentevaste leningen rechtsgeldig was, moet gelet op de omstandigheid dat cliënt als gevolg daarvan een bedrag van € 122.126 aan boeterente moest betalen, afzonderlijk worden beoordeeld. Daarbij dienen in dit concrete geval de ernst en de aard van de genoemde tekortkomingen van cliënt te worden afgewogen tegen het belang van de bank bij de beëindiging van de rentevaste leningen. De lengte van de opzegtermijn biedt immers geen oplossing voor het verschuldigd worden van boeterente.

Op grond van deze feiten en omstandigheden oordeelde het Gerechtshof dat de bank de rentevaste leningen heeft beëindigd zonder voldoende oog te hebben voor de gerechtvaardigde belangen van de cliënt. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het belang van de bank bij beëindiging van de kredietfaciliteit beperkt was nu zij, in het licht van de steeds tijdige voldoening van de rente- en aflossingsverplichtingen en de waarde van de zekerheden in verhouding tot de vordering op cliënt, geen kredietrisico of ander risico liep, ook niet op langere termijn.

Conclusie

De conclusie van de Hoge Raad is dat de beëindiging van de rentevaste leningen met het gevolg dat de cliënt een bedrag van € 122.126 aan boeterente verschuldigd wordt, in de omstandigheden van dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Hierbij werd tevens gewicht toegekend aan de in art. 2 van de algemene bankvoorwaarden neergelegde zorgplicht van de bank. Op basis daarvan dient de bank naar beste vermogen rekening te houden met de belangen van de cliënt.

Het Gerechtshof heeft verder geoordeeld dat de bevoegdheid ingevolge de algemene bepalingen van kredietverlening tot beëindiging van de kredietovereenkomst in beginsel op de gehele kredietfaciliteit betrekking heeft, derhalve op beëindiging van zowel het krediet in rekening-courant als de rentevaste leningen. Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre gebruikmaking van deze bevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat onderscheid wordt gemaakt naar gelang het de beëindiging van het ene dan wel het andere onderdeel van de kredietovereenkomst betreft, mede in het licht van de uiteenlopende daaraan verbonden gevolgen en de overige omstandigheden van het geval. Ook dit werd bekrachtigd door de Hoge Raad.