Publicaties

Wagenaar Lawyers

Zorgplicht bank ten opzichte van (professionele) derden – verjaring

Het Hof Den Haag heeft in een recent arrest de zorgplicht van de bank ten opzichte van derden nader opgerekt. Het Hof kreeg deze zaak na verwijzing op basis van een eerder arrest van de Hoge Raad.

In deze casus was er gefraudeerd met bankrekeningen, althans was er sprake van (mogelijk) witwassen. De vraag is dan of en in hoeverre de bank dan een zorgplicht heeft jegens de relevante rekeninghouders en/of gerechtigden daartoe. Daarnaast speelde in deze casus ook de vraag van verjaring.

Zorgplicht derden – Hoge Raad

In 2015 heeft de Hoge Raad reeds bepaald dat “de Bank niet alleen een bijzondere zorgplicht heeft tegenover haar cliënten maar op grond van haar maatschappelijke functie ook tegenover derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De omvang van de zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zij kan, afhankelijk van die omstandigheden, meebrengen dat de Bank onderzoek moet doen, of [relevante derden] moet waarschuwen.

Zorgplicht derden – Hof

De bank stelde zich op het standpunt dat de zorgplicht van de bank niet geldt jegens professionele partijen. Dat verweer werd verworpen door het Hof Den Haag. Vervolgens doet het Hof Den Haag daar nog een schepje bovenop en breidt de zorgplicht van de bank jegens derden verder uit.

Het Hof Den Haag bepaalt: “Uit de Wet financieel toezicht [(Wft)] volgt weliswaar dat rechtspersonen met een bepaalde (grote) omvang worden geacht zelf de benodigde financiële beslissingen te nemen en zelf te kunnen inschatten wanneer zij daarvoor nader advies moeten vragen bij een financiële instelling, maar dat betekent niet dat de Bank ten opzichte van [relevante derden] geen zorgplicht heeft indien zij op de hoogte raakt van onregelmatigheden […], terwijl zij weet dat de belangen van [relevante derden] daarmee zijn gemoeid. De omstandigheid dat [relevante derden] professionele partijen zijn weegt als omstandigheid mee bij de invulling van de zorgplicht, maar vormt geen grond om de zorgplicht geheel teniet te doen, in elk geval niet bij bekendheid van de Bank met onregelmatigheden als andere mee te wegen omstandigheid.

In casu had de bank de rekeningen waarbij sprake was van frauduleuze handelingen opgeheven. De bank had echter nagelaten om dat mede te delen aan de betrokken derden. Zodoende handelde de bank dus in strijd met haar zorgplicht jegens deze derden, ook al waren dat professionele partijen in de zin van de Wft. Immers, de zorgplicht van de bank geldt derhalve ook ten opzichte van dergelijke professionele derden. De mate van professionaliteit van dergelijke derden kan echter wel relevant zijn voor de nadere invulling van die zorglicht. Dit kan bijvoorbeeld ook een rol spelen bij de uiteindelijke verdeling van de schade.

Verjaring – Hoge Raad

De bank stelde zich op het standpunt dat de vorderingen van de derden jegens de bank verjaard waren. De Hoge Raad maakte daar korte metten mee en stelde daarbij:

De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis kan onder meer worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (art. 3:317 lid 1 BW). Deze schriftelijke mededeling moet een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhouden dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren (vgl. HR 24 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0418, NJ 2006/642). Bij de beoordeling of de mededeling aan de in art. 3:317 lid 1 BW gestelde eisen voldoet, dient niet alleen te worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval (vgl. HR 18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8502, NJ 2009/439). Bij deze beoordeling kan onder omstandigheden mede betekenis toekomen aan de verdere correspondentie tussen partijen (HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7063, NJ 2011/503).

Met andere woorden, niet alleen de schriftelijke mededeling zelf (waarin de verjaring wordt gestuit) is relevant, maar ook de context waarin die mededeling wordt gedaan, alsmede overige relevante omstandigheden, waaronder bijvoorbeeld latere correspondentie en/of procedures. Hetzelfde geldt voor de vraag namens wie de verjaring wordt gestuit. Ook dit werd bevestigd door het Hof Den Haag.

Conclusie

In geval van claims en/of juridische procedures tegen banken, nemen banken veelal het standpunt in dat de zorgplicht niet geldt omdat de wederpartij “professioneel” zou zijn en/of dat de relevante vorderingen verjaard zouden zijn.

Op basis van deze arresten kan daar zeker anders over gedacht worden. Het feit dat een partij wellicht als “professioneel” kan worden gezien, betekend derhalve niet dat de zorgplicht van de bank dan niet zou gelden. Daarnaast worden de regels inzake verjaring aldus ook flexibeler. Het is goed om te constateren dat de jurisprudentie ten aanzien van deze aspecten zich (positief) blijft inwikkelen.